Nederlandse vleeskalversector

De oorsprong van de Nederlandse kalfsvleesproductie:

Nederland is van oudsher een zuivelland, geschikt voor de melkveehouderij. De weilanden en het klimaat zijn daarvoor uitermate geschikt. Dat betekent dat veel boeren zich bezighouden met de productie van melk. Om melk te kunnen produceren zijn koeien nodig en een koe kan pas melk te geven nadat een nakomeling ter wereld heeft gebracht. Een koe dient elk jaar een kalf te krijgen om melk te kunnen geven. De eerste twee weken blijft het kalf bij de moeder. Daarna blijft een deel van de kalveren bij de boer voor uitbreiding en/of vervanging van zijn melkveestapel en gaat het grootste deel van de kalveren die worden geboren naar de kalverhouderij.

Dit is de bestemming voor de kalveren waar de melkveehouder geen plaats voor heeft. De wei en het magere melkpoeder die vrijkomen uit de melkveehouderij worden verwerkt tot hoogwaardig voeder, de zogenaamde kalvermelk. Het is de voeding voor de kalveren in de kalverhouderij.
Het ontstaan van Nederlands kalfsvlees vindt dus zijn oorsprong in de ontwikkeling die de zuivelindustrie doormaakte.

SKV kwaliteitslabel

Nederland is mede vanwege deze lange geschiedenis en uitgebreide ervaring maar ook door het onafhankelijk opererende SKV-controlesysteem, marktleider en kent de grootste kalfdichtheid ter wereld. Ruim één vijfde van alle kalfsvleesgerechten die in Europa op de menukaart staan, zijn voorzien van het SKV kwaliteitslabel.

Nederland heeft ruim 2.000 kalverhouderijen. Jaarlijks worden er totaal rond de 1,5 miljoen kalveren gehouden en verwerkt. Nederlands kalfsvlees wordt voor circa 95% geëxporteerd.